Juf Els heeft groep 4 en is een doelgerichte leraar. Ze heeft de drive om haar leerlingen ‘beter’ [de dubbele aanhalingstekens vervangen door enkele, aangezien het woord benadrukt wordt en geen uitspraak is] te maken; ze is sterk gericht op hun ontwikkeling. Het gaat haar daarbij om de groep als geheel, maar ook om het individuele kind, bijvoorbeeld: Joost. Om de vorderingen van de leerlingen bij te houden, beschikt Els over een aantal middelen. Ze heeft een groepsmap waarin ze informatie verzamelt over haar leerlingen. Regelmatig maakt ze aantekeningen over Joost en die informatie gebruikt ze bij de kindgesprekken en bij de gesprekken met de ouders van Joost. De groepsmap functioneert als een dossier. Daarnaast kan ze goed overweg met het leerlingvolgsysteem (LVS) dat de school gebruikt. Na de toetsen genereert het LVS een overzicht van de vorderingen van Joost. Tevens print Els altijd het groepsoverzicht, zodat ze kan zien hoe de groep zich als geheel ontwikkelt en hoe Joost zich verhoudt tot de anderen kinderen.

Peter is de directeur van de school. Peter is een onderwijskundig leider, een instructional leader. Hij heeft de drive om zijn leraren ‘beter’ te maken; hij is sterk gericht op de ontwikkeling van de leraren, omdat hij begrijpt dat goede leraren goede prestaties realiseren met hun leerlingen. Peter richt zich op het team als geheel, maar ook op de leraren afzonderlijk, op bijvoorbeeld teamlid: Els. Maar:
• Waar legt Peter zijn bevindingen over Els vast? Beschikt hij over een lerarendossier?
• Heeft Peter een overzicht waaruit de ontwikkeling van Els blijkt?
• Heeft Peter een kwaliteitsoverzicht van zijn leraren en heeft hij een teamoverzicht?

Leraren – zoals Els – volgen de ontwikkeling van hun leerlingen systematisch. En ze gebruiken daarbij deugdelijke instrumenten: ze hebben eenLVS. Leraren kennen hun leerlingen en ze weten precies of de leerlingen zich voldoende ontwikkelen.

Vreemd genoeg geldt dat niet voor een directeur als Peter. Hij richt zich wel op de ontwikkeling van zijn leraren, maar hij beschikt niet over een systeem om die ontwikkeling vast te leggen. Hij heeft geen leraarvolgsysteem. Waar kan hij de informatie over zijn leraren vastleggen? Heeft hij een lerarenoverzicht? Heeft hij een teamoverzicht? Waarschijnlijk niet!

In de pilot 2015 van de Inspectie van het Onderwijs wordt het portret Kwaliteitscultuur beschreven. In het kader van dat thema stelde de inspectie ook het onderwijskundig leiderschap op de school aan de orde. In het Onderzoekskader 2017 van de Inspectie van het Onderwijs wordt onderwijskundig leiderschap als voorbeeld gegeven bij de eigen aspecten van kwaliteit. Eén van de belangrijkste kenmerken van onderwijskundig leiderschap is het ondersteunen, begeleiden en ontwikkelen van leraren. Hetzelfde speelt een rol bij opbrengstgericht werken en opbrengstgericht leiderschap: opbrengstgericht werken heeft een verantwoordingsperspectief, maar ook een ontwikkelcomponent. Immers: de leeropbrengsten geven inzicht in de sterke en de zwakke kanten van het gegeven onderwijs, en ze leveren gerichte aanwijzingen op voor mogelijke en noodzakelijke aanpassingen van het onderwijsleerproces.
Onderwijskundig leiderschap en opbrengstgericht leiderschap focussen zich op de professionele ontwikkeling van de leraar met het oog op het beter leren van de leerlingen en met het oog op het realiseren van hogere opbrengsten door de leerlingen. Onderwijskundig leiderschap is daarom primair het leiding geven aan de ontwikkeling van leraren. Eric Verbiest schreef in 2000 De schoolleider als leraar; de kern van onderwijskundig leiderschap (Deventer, 2000). De titel zegt meer dan genoeg: de schoolleiding geeft leiding aan het leren van de leraren, zoals de leraar leiding geeft aan het leren van de leerlingen. Daarbij passen vragen als: hebben we – als schoolleiding – heldere afspraken gemaakt met de leraren over wat we verwachten? Hebben de leraren de visie van de school geadopteerd? Doen de leraren wat we samen afgesproken hebben en met name: lukt het de leraren om de onderwijskundige doelen van de school te realiseren? En hoe kunnen we de leraren benutten die dat kunnen? Wie lukt het niet? En wat moeten we doen om juist die leraar ‘verder’ te helpen, om die leraar te helpen zich te ontwikkelen? Wat de schoolleiding daarbij nodig heeft is een systeem om de ontwikkeling van de leraren te volgen, een systeem dat verheldert welke acties er nodig zijn om de leraar te ontwikkelen tot een (nog) betere leraar. Zoals een leraar gebruik maakt van een LVS om de ontwikkeling van zijn/haar leerlingen te volgen en die op basis van de uitslagen beslissingen neemt om het eigen handelen bij te stellen. Om zo, via de juiste acties, de leerlingen vooruit te helpen.