Onderwijskundig leiderschap richt zich op het primaire proces, op het indirect –via de leraar- beïnvloeden van de resultaten van de leerlingen. Of, zoals Imants stelt: onderwijskundig leiderschap is gericht op het stimuleren en richten van de professionele ontwikkeling van leraren met het oog op het beter leren door de leerlingen. Een onderwijskundig leider beschikt in de eerste plaats over een visie op leraarkwaliteit en ‘goed’ onderwijs en heeft deze vertaald in concreet lesgedrag. Eenvoudiger: een onderwijskundig leider beschikt over een competentieset. Deze functioneert zoals een methode (het curriculum) dat doet voor een leraar. Een leraar ontwikkelt de leerlingen en gebruikt daarbij in het algemeen een methode. Daardoor is er sprake van een doorgaande leerlijn. De leraar weet wat er komt, wat er geweest is, en wat er nodig is om de leerlingen in de zone van naaste ontwikkeling te brengen. De leraar die de methode door-en-door kent, kan zeer doelgericht werken aan de ontwikkeling van de leerlingen.

Een onderwijskundig leider heeft dus ook een methode, een “programma”. De criteria in de observatielijst (de CAO-criteria of de inspectie-criteria) representeren een visie op lesgeven, op leraarkwaliteit, op ‘goed’ onderwijs, en het is de taak van de schoolleider om de leraren zich in die richting te laten ontwikkelen. Daarom is de onderwijskundig leider sterk gericht op de begeleiding en ontwikkeling van de leraren; hij heeft de drive om de leraren ‘beter’ te maken. Imants geeft aan, dat het onderwijskundig leiderschap zich niet hoeft te beperken tot de schoolleider. Hij stelt, dat wat hem betreft de schoolleiding leiding kan geven aan de leerprocessen van de leraren. Het begrip schoolleiding is een relatief wijd begrip. Wie is de schoolleiding? Iedere school kan dit zelf definiëren. Het leiderschap kan ook uitgeoefend worden door de IB’er, of door een LB-leraar  en zelfs –als taak- door een collega-leraar (teacher leadership) die heel goed is in (…). Juist de spreiding van het leiderschap (distributed leadership) heeft een enorme invloed op het leren van de leraren en de leerlingen op school. In Mijnschoolteam is het mogelijk om meerdere observatoren aan te maken. De scores die ze geven worden verzameld in het totaaloverzicht.

De onderwijskundig leider kan op twee manieren met ‘de methode’ omgaan. De observatielijst kan gebruikt worden als een verantwoordingsinstrument, als een afvink-instrument om af te rekenen met een leraar (bad-apples-theory), of als een instrument  dat een middel is om de ontwikkeling van de leraar te stimuleren (improvement-theory). Het is evident, dat een afrekencultuur ontwikkeling in de weg staat, dat dit soort leiderschap een leercultuur blokkeert. De voorbeeld-criteria die zijn opgenomen in de CAO zijn niet bedoeld als een afvinklijstje, maar ze zijn bedoeld om een professioneel gesprek te voeren met de leraren: “Belangrijk is vooral dat er een gelaagd gesprek plaatsvindt over de ontwikkeling van de leraar en dat dit gesprek zich niet verengt tot het checken of aflopen van de indicatoren”.

Eric Verbiest geeft in de titel van zijn boek De schoolleider als leraar aan waar het eigenlijk om gaat. De schoolleider -of in termen van Imants: de schoolleiding- geeft leiding aan de leerprocessen van de leraren. De schoolleiding creëert –zoals de leraar in de klas- een cultuur waarin leraren met en van elkaar kunnen leren aan de hand van de samen opgestelde doelen (in de observatielijsten weergegeven als indicatoren). Nog mooier: de schoolleiding verleidt de leraren tot leren. De schoolleiding functioneert daarbij als een instructional leader, als een leraar die de leerlingen met behulp van een effectieve instructie een stapje verder brengt. Dat sluit aan bij de gedachte van Van der Grift. De schoolleiding zal moeten weten waar de leraar staat (wat de beginsituatie is) en vervolgens in gesprek moeten gaan over de “next step”. Het einddoel is daarbij helder: de leraar (zich laten) ontwikkelen tot vakbekwaam.  Met behulp van Mijnschoolteam krijgt de schoolleiding een goed beeld van de ontwikkeling van de leraren. Na meerdere observaties ontstaat er een longitudinaal overzicht dat inzichtelijk maakt of de leraar zich inderdaad ontwikkelt van start- naar vakbekwaam.