In het onderwijs is de kwaliteit van de leraar van groot belang voor het optimaal presteren van de leerlingen. De schoolleider zou daarom sterk moeten focussen op de begeleiding en de ontwikkeling van de leraren van de school. Velen hebben al de ervaring, dat het systematisch inzetten van een observatie-instrument een belangrijke middel is om het pedagogisch-didactisch handelen van de leraren te verbeteren. Het instrument WMK kan schoolleiders (de schoolleiding) ondersteunen bij het observeren van leraren.

In de CAO-primair onderwijs (juli 2016) wordt in hoofdstuk 9 (Professionalisering) aangegeven, dat iedere leraar moet streven naar vakbekwaamheid. In de paragrafen 9.9 en 9.10 wordt duidelijk, dat een leraar een aantal stadia met betrekking tot bekwaamheid doorloopt. Een startende leraar is de leraar in schaal LA-1 (LB-1) t/m LA-3 (LB-3). Deze leraar moet voldoen aan de bekwaamheidseisen voor startende leraren die vastgesteld zijn door de werkgever. De startende leraar en de werkgever maken vervolgens samen afspraken over hoe de leraar van startbekwaam kan doorgroeien naar basisbekwaam (in beginsel schaal LA-4 (LB-4) t/m LA-7 (LB-7)). In de fase dat de leraar basisbekwaam is, maken de werkgever en de leraar afspraken om te komen tot vakbekwaamheid (in beginsel schaal LA-8 (LB-8) t/m LA-15 (LB-15)). De afspraken om van start- naar basisbekwaam resp. van basis- naar vakbekwaam door te groeien, worden uitgewerkt in een persoonlijk ontwikkelplan dat opgenomen wordt in het bekwaamheidsdossier van de leraar. De CAO-primair onderwijs verduidelijkt in hoofdstuk 9 dat werkgevers (scholen) moeten beschikken over bekwaamheidseisen, of specifieker over bekwaamheidseisen die passen bij de stadia startbekwaam, basisbekwaam en vakbekwaam. Om de scholen hierbij te ondersteunen heeft de Onderwijscoöperatie (september 2015) voorbeeld-criteria uitgewerkt voor startbekwame, basisbekwame en vakbekwame leraren. Deze voorbeeld-criteria representeren ”leraarkwaliteit”.  Om tot een objectieve en transparante beoordeling van het bereiken van de basisbekwaamheid of de vakbekwaamheid te komen, moet de school gebruik maken van een beproefd en objectief observatie-instrument. Mijnschoolteam is een instrument dat gebaseerd is op gevalideerde bronnen, namelijk op de cao-criteria of de inspectie-eisen (2017)

Mijnschoolteam kan ontwikkelingsgericht ingezet worden, maar ook gebruikt worden als een instrument om de bekwaamheid van de leraren te beoordelen. Mijnschoolteam richt zich niet specifiek op beginnende (startende) leraren, maar op alle leraren. De twee standaard observatie-instrumenten (kijkwijzers) zijn ‘breed’: ze richten zich op het totale lesgeven, op bijvoorbeeld: het gebruik van de leertijd, het pedagogisch en didactisch handelen, differentiatie en klassenmanagement.

De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt (uiteraard) of leraren effectieve leraren zijn. In hun Onderzoekskader 2017 verhelderen zij bij de standaard Didactisch handelen wat er mag worden verwacht van een goede leraar, wat “leraarkwaliteit” inhoudt. In hun portret (basiskwaliteit) staat: De leraren plannen en structureren hun handelen met behulp van informatie die zij over leerlingen hebben. De leraren zorgen ervoor dat het niveau van hun lessen past bij het beoogde eindniveau van leerlingen. De aangeboden leerstof is logisch opgebouwd binnen een reeks van lessen alsook binnen één les. De leraren creëren een leerklimaat waardoor leerlingen actief en betrokken zijn. Met geschikte opdrachten en heldere uitleg structureert de leraar het onderwijsaanbod zo dat de leerling het zich eigen kan maken. De leraren stemmen de instructies en spelbegeleiding, opdrachten en onderwijstijd af op de behoeften van groepen en individuele leerlingen. De afstemming is zowel op ondersteuning als op uitdaging gericht, afhankelijk van de behoeften van leerlingen. Op Mijnschoolteam is het vertaald in concrete indicatoren. De school die gebruik maakt van Mijnschoolteam kan dus door de bril van de inspecteur de leraren observeren.

De voorbeeld-criteria (CAO) die zijn opgesteld door de Onderwijscoöperatie zijn gebaseerd op empirisch onderzoek naar “wat werkt in het onderwijs” (Van de Grift, 2010). Van de Grift heeft de effectief gebleken interventies voor goed onderwijs benut voor het construeren van een onderzoeksinstrument  dat gebruikt kan worden bij het observeren en evalueren van het pedagogisch-didactisch handelen van leraren. De items zoals opgenomen in zijn observatielijst zijn gebaseerd op meer dan veertig jaar onderzoek en blijken keer op keer samen te hangen met de leerresultaten van de leerlingen.

De CAO-criteria en de indeling in start-, basis- en vakbekwaam zijn afgeleid van het gedachtegoed van Van der Grift. Enerzijds zijn de criteria afgeleid van de interventies die hij opnam in zijn observatie-instrument  en anderzijds is er gebruik gemaakt van het toekennen van bepaalde interventies aan bepaalde ervaringsjaren. Van de startbekwame leraren (de eerste drie jaar) mag je gemiddeld verwachten dat ze bepaalde interventies beheersen. In de CAO (bijlage XVII) zijn dat er zestien. Dat geldt idem voor de basisbekwame leraren (jaar 4 t/m 7, een aanvulling van twaalf indicatoren) en ook voor de vakbekwame leraren (vanaf jaar 8, een aanvulling van vier indicatoren). Een instrument dat wordt gebruikt voor het observeren van leraren en vervolgens voor de professionalisering en de begeleiding van (startende) leraren is dus “beproefd” als er (onder meer) gebruik wordt gemaakt van de CAO-criteria als gevalideerde bron.